Lagere school

De lagere school heet bij ons onderbouw en bestaat uit zes klassen.

Na de onderbouw groeien de kinderen door naar de middenbouw (dit is van de zevende tot de achtste klas) en de bovenbouw (dit is van de negende tot de twaalfde klas).

In de lagere school hebben kinderen een innerlijke drang om de zin der dingen te ontdekken. Het gaat in deze fase echter niet om een wetenschappelijke, intellectuele verklaring van de zin der dingen. Het kind wil deze zin met zijn gevoel beleven. Erdoor beroerd worden. Er zich mee vereenzelvigen. Het kind is er nog niet aan toe om boven zijn gevoelsmatige verbondenheid met de wereld uit te stijgen en deze in een afstandelijke, logische en intellectuele samenhang te begrijpen.

Men zou hiertegen kunnen inbrengen dat toch al gebleken is dat men een jong kind kan leren lezen en schrijven en het al kan aanspreken in zijn intellect. Het is echter ons uitgangspunt dat men op deze manier de ziel van het kind geweld aandoet, en dat het onvoldoende cultiveren van een gevoelsmatige verbinding met de wereld zich in het latere leven zou kunnen uiten in ziekte en sociaal disfunctioneren.

Bovendien wordt in de steinerpedagogie de leerstof in de eerste plaats gezien als ontwikkelingsstof. De kinderen ontwikkelen zichaan de leerstof. Een kind is geen onbeschreven blad, geen leeg vat dat van buitenaf met kennis moet gevuld worden.
In elke leeftijdsfase is het kind rijp voor een volgende stap in de ontplooiing van zijn vaardigheden. Dit geldt niet alleen voor zijn intellectuele kennis maar ook, en vooral, voor het laten geboren worden van wat het in zich draagt aan fysieke, emotionele, en sociale vaardigheden. In elk leerjaar is de leerstof hieraan aangepast, dit zowel in de reken- en taallessen als in de verhalenstof en de kunstzinnige verwerking ervan. Elk kind ontwikkelt zich daarbij volgens zijn eigen tempo, aard en temperament.

Wanneer de leerstof op een kunstzinnige manier wordt aangereikt, zal elk kind zich op zijn manier aangesproken voelen door wat het in de klas hoort, ziet en moet doen. Het is de opdracht van de leraar om van de kinderen in zijn of haar klas af te lezen welke inhoud zij nodig hebben.